Geschiedenis van Heer Hugo's Waard

Heer Hugo

Een beschrijving van het Heerhugopad hoort natuurlijk te beginnen met de vraag: wia was heer Hugo? Dat blijkt een lastige vraag te zijn, waarop zelfs de kenners van de Heerhugowaardse geschiedenis geen kant-en-klaar antwoord hebben.

Veenontginningen en stormvloeden veranderden het gebied dat tegenwoordig binnen de gemeentegrenzen van Heerhugowaard valt, in een steeds groter wordend meer: de grote Waert. Om te voorkomen dat het land helemaal door het water zou worden opgeslokt, legde men in de 13de eeuw een dijk aan van Oudorp tot Oterleek. Deze Huygendijk is waarschijnlijk genoemd naar heer Huygen, die het initiatief daartoe nam. Maar naar welke heer Huygen of Hugo de dijk vernoemd is, blijft onduidelijk. Was het Hugo van Akersloot, Hugo van Elkerslote of Hugo van Assendelft? Deze adellijke heren leefden alle drie rond de tijd waarin de Huygendijk is aangelegd. Van de eerste is bekend dat hij de Abdij van Egmond een stuk land schonk. Van de tweede weten we niet veel. De laatstgenoemde had veel grond in West­-Friesland en misschien is Heerhugowaard naar hem genoemd. Wie de 'echte' heer Hugo was, zullen we waarschijnlijk nooit weten.

Toen de grote Waert een paar eeuwen later was drooggelegd, werd voor het eerst gesproken over de 'Heer Huyge Waert'. Later is dat verbasterd tot Heerhugowaard.

Middeleeuwse praktijken

In de vroege Middeleeuwen lag op de plek van het huidige Heerhugowaard een groot, zompig veengebied. In het westen werd het gebied begrensd door de strandwal van Oudorp­ en Sint Pancras, in het noorden en oosten door de West­friese getijdenrug, een zandrug die boven het veen uitstak. Hierdoor lag de Waert als het ware in een kom. Het water kon alleen in zuidelijke richting wegstromen naar de veenrivier de Schermer. Die werd alsmaar breder en veranderde uiteindelijk in een groot meer. Het lag vol met grillig gevormde eilandjes waarop bomen, struiken en riet groeiden. Alleen op de hoger gelegen zandige strandwallen vond enige bewoning plaats.

Ontginning van het veengebied

Door het graven van sloten voor de ontwatering raakte de toplaag van het veen steeds meer verdroogd. Daardoor werd het mogelijk om akkertjes aan te leggen op het veen en om er te gaan wonen. De veenontginningen breidden zich naar het zuiden uit. Rond 1200 was heel West­friesland, waar Heerhugowaard historisch gezien toe behoort, ontgonnen en in cultuur gebracht.

Dijken en doorbraken

Het land was maar kort in gebruik. Want als je water onttrekt uit veen, klinkt het in. De bodem daalde en de akkertjes veranderden in zompige weilanden. Hier en daar legde men wat kleine dijkjes aan. Een grote dijkdoorbraak in 1248 sloeg het laatste restje veen weg; de zee kreeg even vrij spel. De tijd was rijp voor de aanleg van een grote ringdijk om West­friesland heen; de Westfriese Omringdijk is gerealiseerd in 1250. Maar de bedijking leidde tot nieuwe problemen: het water kon niet meer wegstromen. spuisluisjes en molens moesten het water wegpompen. Zo ontstonden kleine poldertjes te midden van steeds groter wordende meren. regelmatig braken de dijken door, zodat een groot deel van Westfriesland weer onder water stond.

Druiplanden

Zeventig procent van het land ging tussen 800 en 1350 verloren. De Groote of Zuyder Waert was het grootste meer binnen de Westfriese Omringdijk. De kleine eilandjes, restanten van het oude land, waren de druiplanden. Hun oppervlaktes varieerden van 0,15 tot 30 hectare. De grootste druiplanden lagen voor Veenhuizen. Iets westelijker lagen de druiplanden die later bekend stonden als de Noord­- en Zuid­scharwouderpolder. Toen het gebied in 1630 werd ingepolderd kwamen oude boerderijen, die op de druiplanden waren gebouwd, in de nieuwe polder te liggen.

De meeste druiplanden zijn moeilijk terug te vinden in het landschap. In de jaren ’60 van de vorige eeuw verstedelijkte het gebied door massale woningbouw. Door schaalvergroting in de landbouw is veel druipland herverkaveld. Alleen het oude land van Veenhuizen en Oterleek is nog duidelijk herkenbaar als druipland: het ligt iets hoger in het landschap. Druipland de Draai wordt geïntegreerd in eene nieuwe woonwijk.

Definitieve drooglegging

Rijke Amsterdamse kooplieden hielpen een handje mee: ze investeerden hun geld, dat ze in de handel op de Oost hadden verdiend, in het droogleggen van een aantal meren. Bij de drooglegging van de Beemster (1612) en de Purmer (1621) kwam veel goede landbouwgrond beschikbaar. De patriciërs lieten er hun buitenhuizen bouwen. Kort daarop volgde het grote meer van de Zuyder Waert (het huidige Heerhugowaard).

De drooglegging was een lang en moeizaam proces, waarbij veel verschillende belangen speelden. Eerst legde men een 32 kilometer lange ringdijk aan rondom het hele meer. Ook de hoger gelegen delen, de druiplanden, werden 'binnengedijkt'. Tegelijkertijd werd een ringvaart gegraven, die voor de afwatering moest zorgen.

Molens

De vrij diepe Heerhugowaard moest met behulp van 47 molens worden drooggemalen. Om het hoogteverschil te overwinnen, plaatste men meerdere molens achter elkaar zodat een zogeheten molengang ontstond. Elke molen maalde het water een stukje hoger op. Zo waren er ondermolens, middenmolens, bovenmolens en strijkmolens. Trapsgewijs maalden ze het water op naar de ringvaart langs de dijk. In 1631 was de droogmakerij 'Heer Huygen Waert' voltooid. De plaats Heerhugowaard dankt zijn bestaan aan deze inpoldering. De molens hadden de taak om het land ook na inpoldering droog te houden.

De belangrijkste polder was die van Heerhugowaard. Deze had een aantal onderpolders en daarnaast lagen er nog vijf andere polders binnen de ringdijk. Dat waren polder Oterleek, polder Veenhuizen, de Smuigelpolder, de Zuid-Scharwouder- en de Noord-Scharwouderpolder. Elke polder had zijn eigen polderbestuur.

Stoomgemaal

Vanaf 1877 werden veel molens vervangen door een stoomgemaal die de polder droog moest houden. Het gemaal pompte met behulp van twee stoommachines het polderwater naar de ringvaart, vanwaar het verder werd afgevoerd naar het huidige Markermeer en de Noordzee. Later zijn de stoommachines vervangen door dieselmotoren (1935) en elektromotoren (1941). Het gemaal is nu in gebruik als Poldermuseum.

In 1994 is de bemaling overgenomen door het nieuwe, ernaast gelegen gemaal Huygendijk. De pompen en elektrische aandrijvingen bevinden zich nog steeds in het Poldermuseum.

Verkavelingspatroon

Typerend voor de 17de-eeuwse droogmakerijen is het strakke geometrische verkavelingspatroon. Grote rechthoekige kavels zijn begrensd door kaarsrechtse wegen en waterlopen die evenwijdig aan elkaar lopen. Bijzonder in Heerhugowaard is, dat het strakke patroon hier wordt onderbroken door de grillige vorm van de druiplanden. Wie op een recente kaart kijkt, ziet dat de oude verkaveling nog steeds bestaat in het wegenpatroon. Van noord naar zuid doorkruisen de Middenweg en de Jan Glijnisweg het landschap. Haaks daarop liggen de Rustenburgerweg en de Stationsweg. Deze wegen bestaan nog steeds.

Land- & tuinbouw

Aanvankelijk fungeerde het nieuw ontgonnen land van de droogmakerij 'Heer Huygen Waert' alleen als weiland. Vanwege de slechte waterhuishouding groeide er weinig in de zompige polder. Er gingen zelfs stemmen op om de hele Waert weer onder water te zetten, maar de overheid hield dat tegen. Omdat de bewoners geld moesten verdienen, legden ze toch kleine akkertjes aan. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw werd de tuinbouw in Heerhugowaard succesvol. Door de uitvinding van het stoomgemaal kon het grondwater voortaan op een evenwichtig peil worden gehouden. Bovendien maakte het gebruik van kunstmest een intensievere teelt mogelijk.

Groei en bloei

De eerste tuinbouwproducten werden goed verkocht in eigen land. Ook de export naar Duitsland en Engeland groeide gestaag. Steeds meer bewoners wilden een eigen bedrijf beginnen in de tuinbouw. Er was vooral veel vraag naar kleine percelen, die door één of enkele tuinders konden worden bewerkt. Grote veebedrijven werden in kleinere percelen opgesplitst en verkocht. Per hectare grond bood de tuinbouw meer werkgelegenheid dan de grote veebedrijven. Steeds meer veeboeren stapten over op tuinbouw. Hele percelen bossen werden zelfs gekapt om het te kunnen gebruiken als tuinbouwgrond.

Broekerveiling

Tot 1887 verkochten de tuinders zelf hun groenten. Ze onderhandelden met schippers en handelaren over de prijzen. De tuinder bespaarde veel tijd door een handelaar als tussenpersoon te laten fungeren. Vaak kreeg de tuinder op deze wijze echter niet het juiste bedrag voor zijn producten. Daarom ontstond het idee om de groenten te veilen en ze aan de hoogste bieder te geven. Zo opende in 1887 de eerste veiling ter wereld in Broek op Langedijk zijn deuren. Om de producten naar de veiling te vervoeren, waren er goede aanvoerroutes nodig: vaarwegen en spoorlijnen. De landbouw­ en handelsvereniging Nieuw Leven, opgericht in 1898, speelde een belangrijke rol bij deze ontwikkelingen. Door gezamenlijk voer en kunstmest in te kopen, waren de tuinders beter bestand tegen de machtige kooplieden.

Crisis

In de jaren ’30 van de vorige eeuw sloeg de crisis ook in Heerhugowaard toe. Er werd teveel geproduceerd en te weinig geconsumeerd. Toen de aardappeloogst instortte vanwege de aardappelziekte, schakelde men over op het planten van kool. De agrariërs maakten lange dagen; zelfs op zondag ging het werk door. Maar het succes van de vorige eeuw werd niet meer geëvenaard. Ook niet toen de gemeente subsidie ging verstrekken aan land­- en tuinbouwers. Door ruilverkavelingen nam het agrarisch grondgebruik in de jaren ’60 verder af. Veel tuinders staakten hun bedrijf. Hoewel de overheid de tuinbouw wilde verbeteren door mechanisatie en schaalvergroting, nam de productiviteit verder af. Tegenwoordig verdient ongeveer zes procent van de Heerhugowaarders zijn geld in de land­ en tuinbouw.

HHP bij Obdammermolen